Het gebruik maken van onderstaande uitspraak bij eventuele publicatie, is alleen toegestaan indien de gehele URL wordt overgenomen. Het kopieren van deze uitspraak en het plaatsen hiervan op een site is zonder toestemming van de Stichting PAL, uitdrukkelijk verboden.

vonnis
 
RECHTBANK ZUTPHEN
 
Sector Kanton - Locatie Oude IJsselstreek
Zaaknummer: 230193 CV-EXPL 04/2833
Afschriften aan: partijen
Grosse aan: [Y]
Verzonden:  12 maart 2009
 
vonnis van de kantonrechter d.d. 12 maart 2009
 
inzake
 
de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in voorwaardelijke en onvoorwaardelijke conventie,
gedaagde in reconventie, hierna te noemen Dexia,
gemachtigde: J.J. Jonker en G.B.J. Geerdink, gerechtsdeurwaarders te Winterswijk,
 
tegen
 
[X],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in voorwaardelijke en onvoorwaardelijke conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen [X],
gemachtigde: [Y],
schriftelijk procederend.
 
Procesverloop
 
Het verloop van de procedure blijkt uit:
*     het interlocutoire vonnis d.d. 25 september 2008;
*     de akte d.d. 10 oktober 2008 van de zijde van [X];
*     de akte aanhouding d.d. 27 november 2008 van de zijde van Dexia.
 
De verdere beoordeling
 
1.     Bij hogergemeld tussenvonnis is de zaak naar de rolzitting verwezen teneinde [X] in de gelegenheid te stellen aan te tonen dat zij ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst nog steeds gehuwd was met haar echtgenoot.
 
2.     Bij haar voormelde akte heeft [X] de originele huwelijksakte overgelegd, waaruit blijkt dat zij op 29 september 1972 met haar echtgenoot, de heer [Y], is gehuwd. Nu aan deze originele huwelijksakte geen latere vermelding van echtscheiding is toegevoegd, moet er van worden uitgegaan dat [X] ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst nog steeds gehuwd was met haar echtgenoot.
 
3.     Tussen partijen is verder in geschil of de in het geding zijnde overeenkomst voldoet aan de wettelijke definitie van huurkoop en of artikel 1:88 lid 1 sub d BW op deze overeenkomst van toepassing is.
 
4.     De kantonrechter verwijst in dit verband allereerst naar het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008, C07/155HR (Dexia), LJN: BC2837. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
 
"4.    Beoordeling van het middel in het principale beroep
 
4.1    Bij de beoordeling van het middel, dat in het bijzonder de uitleg van art. 1:88 lid i, aanhef en onder d, BW tot onderwerp heeft, moet worden vooropgesteld dat de ratio van deze bepaling is echtgenoten in hun onderlinge verhouding, dus ten opzichte van elkaar, te beschermen (Parl. Gesch. Aanpassing BW, Inv. 3,5 en 6, blz. 19 en 22).
 
4.2    Het middel strekt in de eerste plaats ten betoge dat koop op afbetaling, en dus ook huurkoop, volgens de wettelijke definitie van art. 7A: 1576 BW slechts een zaak als object kan hebben. De onderhavige overeenkomsten hebben aandelen als object, dus geen zaken, maar vermogensrechten in de zin van art 3:6 BW. Nu op grond daarvan in dit geval geen sprake is van koop op afbetaling, behoefde verweerder 1 voor het aangaan van de overeenkomsten ook geen toestemming als bedoeld in art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW van verweerster 2.
Dit standpunt van Dexia is onjuist. Weliswaar is juist dat de huurkoop in art. 7A:1576 lid 1 BW aldus wordt omschreven dat zij betrekking heeft op zaken, doch uit het vijfde lid van deze bepaling volgt dat koop op afbetaling ook mogelijk is met betrekking tot vermogensrechten. Deze uitleg is niet alleen in overeenstemming met de tekst van deze bepaling, maar volgt ook uit de wetsgeschiedenis ervan, zoals weergegeven in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder nr. 12 en 13. Ook al onder art. 1576 (oud) was koop op afbetaling van goederen, waaronder destijds zowel stoffelijke objecten als vermogensrechten werden begrepen, mogelijk, zoals reeds uit de tekst van deze bepaling blijkt. Er bestaan geen aanwijzingen dat de wetgever bij de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1992 daarin wijziging heeft willen brengen. De aard van het onderhavige vermogensrecht verzet zich niet tegen de opvatting dat koop op afbetaling van dit recht mogelijk is.
 
4.3    Dexia heeft voorts doen aanvoeren dat de overeenkomsten geen koop op afbetaling, en dus geen huurkoop, zijn omdat daarin een verplichting tot aflevering van de gekochte aandelen ontbreekt. Een dergelijke verplichting maakt volgens haar een essentieel onderdeel uit van de wettelijke definitie. Dexia heeft haar standpunt toegelicht door erop te wijzen dat verweerder 1 vr de laatste termijnbetaling
(i) blijkens art. 3 Bvel (Bijzondere voorwaarden effectenlease) zijn aan de aandelen verbonden stem- en wilsrechten niet mocht uitoefenen, (ii) blijkens art. 2 en 3 Bvel jegens de uitgevende instellingen geen aanspraak kon maken op dividenduitkeringen en (iii) blijkens art. 2,10 en 12 Bvel geen recht had op uitlevering dan wel aflevering van de aandelen en zou moeten dulden dat Dexia deze aandelen zou bezwaren of aan een derde zou overdragen. De geanticipeerde leveringshandeling geschiedde immers onder de opschortende voorwaarde van de laatste betaling.
 
4.4    Ook dit standpunt kan niet worden aanvaard. Het miskent dat art. 7A:1576 lid 1 BW is toegespitst op stoffelijke zaken, waarbij aflevering in dit verband betekent dat aan de koper de macht over de zaak wordt verschaft. In een geval als het onderhavige waarin het gaat om koop en verkoop van aandelen met levering onder de opschortende voorwaarde dat volledige betaling heeft plaatsgevonden, moet onder aflevering worden verstaan dat de koper het genot van de aandelen verkrijgt. De levering van aandelen geschiedt ingevolge art 17 Wge door bijschrijving op naam van de verkrijger in de administratie van de aangesloten instelling. Het oordeel van het hof dat de aflevering is geschied door de voorwaardelijke administratie van de aandelen op naam van verweerder 1 waardoor, zoals blijkt uit art. 3 Bvel, vanaf dat moment aan hem alle baten en waardeveranderingen toekwamen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat verweerder 1 nog niet alle aan de aandelen verbonden rechten mocht uitoefenen.
Door de overdracht onder opschortende voorwaarde was verweerder 1 nog niet de volledig rechthebbende op de aandelen geworden, maar droeg hij wel het volledige risico van de waardeontwikkelingen van de aandelen, verkreeg hij krachtens de overeenkomst recht op het uit het aandeel voortvloeiend dividend, en had hij dus in die zin ook. het genot ervan.
 
4.5    Als laatste grond voor haar stelling dat in dit geval het vereiste van toestemming als bedoeld in art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW niet geldt, heeft Dexia aangevoerd dat deze bepaling alleen betrekking heeft op afbetalingstransacties met een stoffelijke zaak als object. De woorden "koop op afbetaling" verwijzen volgens haar naar de wettelijke omschrijving in het eerste lid van art. 7A:1576 BW en hebben dus alleen betrekking op dergelijke overeenkomsten met een zaak als object. Voorzover de beperking van koop op afbetaling tot stoffelijke zaken die vatbaar zijn voor aflevering, niet zou gelden voor art. 7A:1576 BW, is deze wel van toepassing op art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d BW, omdat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd en toegepast. Dexia heeft in dit verband met name aangevoerd dat de wetgever, anders dan het hof heeft geoordeeld, juist wel heeft bedoeld het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, te beperken tot overeenkomsten met betrekking tot lichamelijke zaken. Daarbij verwijst zij naar de tekst van de bepaling, meer in het bijzonder naar de zinsnede: "behalve van zaken welke kennelijk uitsluitend of hoofdzakelijk ten behoeve van de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf strekken", waaruit blijkt dat deze uitzondering alleen betrekking heeft op zaken, en niet, zoals anders voor de hand had gelegen, op goederen. Zou dit anders zijn, dan zou dit tot de ongerijmde conclusie leiden dat wel toestemming nodig is voor beroeps- of bedrijfsmatige koop op afbetaling van vermogensrechten. Dexia heeft zich daarbij beroepen op de wetsgeschiedenis. In art. 1:87 lid 1 (oud) BW was bepaald dat indien echtgenoten een gemeenschappelijke huishouding hebben de ene echtgenoot slechts met medewerking van de andere echtgenoot zaken die kennelijk ten behoeve van de huishouding strekken op afbetaling kan kopen. Volgens Dexia was niet onbetwist dat in deze bepaling het begrip "zaken" in de ruime betekenis van (destijds) goederen n rechten werd gebruikt. In het Ontwerp Meijers voor boek 7, dat in 1972 is gepubliceerd, werd nog ervan uitgegaan dat koop op afbetaling alleen betrekking kan hebben pp koop van een roerende zaak die niet een registergoed is.
In de daarbij behorende toelichting werd gewezen op "onoverkomelijke moeilijkheden" die ontstaan bij huurkoop ten aanzien van vermogensrechten. In het ontwerp voor art. 1:88, is aanvankelijk het begrip "afbetalingstransacties"gebruikt. Dexia meent in het bijzonder steun voor haar opvatting te vinden in de volgende passage in de parlementaire stukken (MvA II, Parl. Gesch. Aanpassing BW, Inv. 3,5 en 6, blz 24):
"Terecht signaleert de commissie een oneffenheid in de tekst van het wetsontwerp, waardoor onbedoeld de handelingen van art. 88 lid 1 onder d, niet -althans voor roerende zaken- zouden samenvallen met die waarop de Wet op het afbetalingsstelsel 1961 in feite van toepassing is. In de tweede nota van wijziging is teruggekeerd tot de eenvoudiger, zij het wellicht iets minder precieze, terminologie van art. 87: de koop op afbetaling. Nauwkeurige aanpassing aan de Wet op het afbetalingsstelsel 1961 zou immers tot een ingewikkelde omschrijving leiden. Wat koop op afbetaling is, is gedefinieerd in artikel 7A:1576 lid 1 n 2; de beperking van artikel 1576 lid 3 is echter niet van toepassing, zodat ook bij voorbeeld huurkoop van onroerende zaken en schepen onder artikel 88 valt."
Hieruit blijkt volgens Dexia dat de aansluiting bij art. 1 Wet op het afbetalingsstelsel 1961 bleef beoogd, zodat koop op afbetaling in beginsel geen betrekking kan hebben op roerende onlichamelijke zaken. In elk geval sluit art. 1:88 lid 1, onder d, aan bij de definitie in art. 7A: 1576 lid 1 en 2, en wijst niets erop dat de toestemming als in deze bepaling bedoeld ook betrekking zou hebben op koop op afbetaling van vermogensrechten.
 
4.6    De hiervoor vermelde argumenten van Dexia laten zien dat de wetgever in art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, in zoverre niet een materile wijziging heeft beoogd ten opzichte van het voorheen geldende art. 1:87 dat de toestemming als bedoeld in eerstvermelde bepaling betrekking zou hebben op een ruimer of beperkter object dan in art. 1:87 was bedoeld. Daarbij verdient evenwel opmerking dat de hiervoor in 4.5 aangehaalde passage uit de totstandkomingsgeschiedenis moet worden begrepen op basis van de destijds geldende tekst van art. 1576 lid 1 en 2, waarin -onder het voor 1992 geldende recht- werd gesproken van "zaken", welk begrip toen ook vermogensrechten omvatte.
Op grond hiervan en op grond van het feit dat uit de tekst van art. 1:87 (oud) volgde dat de toestemming van de echtgenoot betrekking had op de koop op afbetaling van zowel stoffelijke zaken als vermogensrechten, moet het standpunt van Dexia dat toestemming als bedoeld in art. 1:88 lid 1 aanhef en onder d, alleen vereist is bij koop op afbetaling van stoffelijke zaken, worden verworpen. De in deze bepaling vermelde uitzondering lijkt weliswaar, in overeenstemming met de bewoordingen van art. 7A:1576 lid 1, alleen betrekking te hebben op koop op afbetaling van zaken, maar aangenomen moet worden dat ook het vijfde lid van art. 7A:1576, dat het bepaalde omtrent de koop op afbetaling van zaken van overeenkomstige toepassing verklaart op de koop van afbetaling van vermogensrechten, bij het bepalen van de omvang van de uitzondering in aanmerking moet worden genomen, zodat de uitzondering ook betrekking heeft op koop op afbetaling van vermogensrechten.
Bovendien zou een uitsluiting van de koop op afbetaling van vermogensrechten in art. 1:88 lid, aanhef en onder d, niet verenigbaar zijn met de hiervoor in rov. 4.1 bedoelde gezinsbeschermende strekking van art. 1: 88 lid 1. Het gevaar waartegen deze bepaling bescherming biedt, is niet gelegen in het soort goederen dat men koopt, maar in de aard van de koop op afbetaling als zodanig.
Slechts koop op afbetaling van goederen welke kennelijk uitsluitend of hoofdzakelijk ten behoeve van de normale uitoefening van beroep of bedrijf van de desbetreffende echtgenoot strekken, wordt door de wetgever van het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, uitgezonderd.
 
4.7    Dexia heeft voorts aangevoerd dat het ontbreken van schriftelijke toestemming van verweerster 2 niet voldoende grond is voor vernietiging met een beroep op het ontbreken van deze toestemming, omdat art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, geen schriftelijke toestemming vereist voor het aangaan van een koop op afbetaling. Ingevolge het derde lid van deze bepaling moet toestemming schriftelijk worden verleend indien de wet voor het verrichten van de rechtshandeling een vorm voorschrijft. Nu het vormvoorschrift van art. 7A:1576i BW alleen ziet op het species "huurkoop" en art. 7A: 1576j lid 3 aan het onvolledig zijn of ontbreken van de voorgeschreven akte slechts de sanctie verbindt dat het eigendomsvoorbehoud vervalt, kan het ontbreken van schriftelijk verleende toestemming van de andere echtgenoot niet de nietigheid van de gehele transactie tot gevolg hebben.
 
4.8    Nu de klachten van Dexia tegen het oordeel van het hof dat de onderhavige overeenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van huurkoop, falen, volgt daaruit dat op grond van art. 1:88 lid 3 BW voor het aangaan van deze overeenkomsten de schriftelijke toestemming van de andere echtgenoot is vereist. Deze kan derhalve op grond van art. 1:89 BW de nietigheid ervan wegens het niet voldoen aan dit vereiste inroepen. Dit beroep heeft dan tot gevolg dat de gehele overeenkomst wordt vernietigd. Het ontbreken van de bij huurkoop vereiste akte leidt (tussen partijen) tot het in art. 1576j geregelde rechtsgevolg maar deze bepaling is niet van toepassing op een beroep op het ontbreken van schriftelijke toestemming van de andere echtgenoot.
 
4.9    Ten slotte heeft Dexia een door het hof eveneens verworpen beroep gedaan op (overeenkomstige) toepassing in het onderhavige geval van art. 6:278 BW, subsidiair op art. 3:53 lid 2 BW en meer subsidiair op art. 6:210 lid 2 BW. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat het in de gegeven omstandigheden niet redelijk is dat de gevolgen van de vernietiging geheel voor haar rekening komen, en dat deze gevolgen ook bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden.
Het beroep op het ontbreken van schriftelijke toestemming is immers kennelijk uitsluitend ingegeven door het feit dat op de aandelen een koersverlies is geleden dat verweerders geheel op Dexia proberen af te wentelen. Art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, strekt niet ertoe de contractant en zijn gezin te beschermen tegen dit specifiek aan beleggingen inherente risico. In elk geval kunnen de gevolgen van de overeenkomsten, die ook een kans boden op koersstijgingen, niet meer ongedaan gemaakt worden, althans moet verweerder de waarde van de door hem genoten prestatie aan Dexia vergoeden.
 
4.10   Het verweer dat Dexia wil ontlenen aan art. 6:278 BW is door het hof terecht verworpen. Dit verweer faalt omdat het niet valt te rijmen met de strekking van art. 1: 88 de andere echtgenoot te beschermen tegen het zonder zijn toestemming aangaan van de daarin bedoelde rechtshandelingen.
Het beroep op art. 3:53 lid 2 en op art. 6:210 is, zoals blijkt uit de gedingstukken, gebaseerd op de veronderstelling dat de met verweerder gesloten overeenkomsten moeten worden aangemerkt als kansovereenkomsten, waarbij verweerder het genot heeft gehad van de mogelijkheid dat de koersen van de aandelen zouden stijgen. Nu deze veronderstelling onjuist is, kan ook dit beroep niet slagen."
 
5.     In het hiervoor aangehaalde arrest heeft de Hoge Raad, kort gezegd, geoordeeld dat de in dat geding aan de orde zijnde aandelenlease-overeenkomsten met Dexia onder de naam "Korting Kado" overeenkomsten van huurkoop vormen in de zin van artikel 7A: 1576 BW, die mede beheerst worden door artikel 1:88 BW en daarom de toestemming van de andere echtgenoot behoeven.
De onderhavige procedure heeft betrekking op een aandelenleaseovereenkomst met Dexia aangegaan onder de naam Winstver driedubbelaar met dezelfde bedingen. Gelet op de overwegingen van de Hoge Raad in het hiervoor aangehaalde arrest, acht de kantonrechter ook deze overeenkomst een overeenkomst van huurkoop, waarop de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 BW mede van toepassing zijn.
 
6.     Dexia voert verder aan dat het beroep op vernietiging op grond van artikel 1:88 juncto 1:89 BW reeds was verjaard op het moment dat bedoeld beroep bij brief d.d. 30 augustus 2004 werd gedaan. In dit verband stelt Dexia het volgende. Het instellen van de rechtsvordering tot vernietiging op grond van artikel 1:89 BW is gebonden aan een verjaringstermijn van driejaar, te rekenen vanaf het moment dat het beroep aan de niet-handelend echtgenoot ten dienste is komen te staan (art 3:52 lid 1 sub d BW).
De verjaringstermijn begint derhalve te lopen op het moment dat de overeenkomst is gesloten, althans op het moment dat de niet-handelend echtgenoot bekend is of behoort te zijn met de overeenkomst. Na verjaring van de rechtsvordering is een
buitengerechtelijke of gerechtelijke vernietiging niet meer mogelijk (art. 3:52 lid 2 BW).
Binnen Nederlandse gezinsverhoudingen is gebruikelijk dat beleggingsbeslissingen zoals het aangaan van een overeenkomst van effectenlease met medeweten en instemming van beide partners worden genomen. Uitgaande van een normale gezinssituatie is niet vol te houden dat de echtgenoot van [X] niet vanaf het begin van de looptijd van de overeenkomst van het bestaan hiervan op de hoogte was.
Het gaat immers om een grote som geld. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat [X] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met haar echtgenoot heeft overlegd over het aangaan van de overeenkomst.
Dit is overigens ook een gebruikelijke gang van zaken binnen een gezin. Dit betekent dat de echtgenoot van [X] reeds voor, maar in ieder geval op 20 april 2000 op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomst. Nu de brief van de
echtgenoot van [X] van 30 augustus 2004 niet aan Dexia is verstuurd binnen driejaar na het moment waarop hij redelijkerwijs van het bestaan van de overeenkomst op de hoogte had kunnen zijn, is de bevoegdheid tot buitengerechtelijke
vernietiging met het intreden van de verjaring dan ook komen te vervallen.
 
7.     De rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling verjaart driejaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan (art 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW).
Na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de rechtshandeling kan deze niet meer op deze grond buitengerechtelijk worden vernietigd (art. 3:52 lid 2 BW).
Nagegaan dient te worden of de buitengerechtelijke vernietiging door de echtgenoot van [X] bij brief d.d. 30 augustus 2004 is gedaan nadat de hiervoor genoemde verjaringstermijn is verstreken.
De aanvang van de verjaringstermijn is afhankelijk van kennisname van de feitelijke omstandigheden die aan het vernietigingsberoep ten grondslag worden gelegd.
De veronderstelling van Dexia dat [X] voor het aangaan van de overeenkomst haar echtgenoot hierover zou hebben ingelicht is niet gebaseerd op feiten, maar een aanname dat bespreking van dergelijke overeenkomsten in elk gezin in het algemeen
zal plaatsvinden.
Deze aanname is bovendien in strijd met de bedoelding van art. 1:88 BW, waarin nu juist de uitdrukkelijke toestemming van de echtgenote wordt vereist voor bepaalde transacties.
De dag van sluiten van de overeenkomst kan derhalve niet als aanvangsdatum van de verjaringstermijn worden aanvaard.
Met betrekking tot de bekendheid van haar echtgenoot heeft [X] gemotiveerd betwist dat haar echtgenoot reeds voor, maar in ieder geval op 20 april 2000 op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomst
Nu Dexia hiertegenover niets heeft gesteld om te kunnen oordelen dat de verjaringstermijn was verstreken toen de echtgenoot van [X] een beroep deed op de vernietigbaarheid van de overeenkomst, is het beroep op verjaring ongegrond
en wordt het derhalve gepasseerd.
 
8.     Het voorgaande betekent dat de vordering in conventie van Dexia zal worden afgewezen en dat Dexia in reconventie zal worden veroordeeld tot terugbetaling van het ingelegde geld. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat Dexia met terugbetaling in verzuim was, zijnde het moment waarop de door de echtgenoot van [X] in zijn meergemelde brief d.d. 30 augustus 2004 genoemde betalingstermijn verstreek tot de voldoening.
 
9.     Naar aanleiding van de vordering gericht op verwijdering van [X] en haar echtgenoot uit het BKR, overweegt de kantonrechter dat deze, nu uit het voorgaande blijkt dat de overeenkomst niet in stand blijft, toewijsbaar is, met dien verstande dat Dexia wordt veroordeeld BKR binnen acht dagen een bericht te zenden, inhoudende dat de registratie van de overeenkomst dient te worden gestaakt c.q. verwijderd of gewijzigd ten gunste van [X].
 
10.    De overige vorderingen van [X] zullen, nu zij niet (nader) zijn onderbouwd worden afgewezen.
 
11.    Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie.
 
Beslissing
 
in conventie
 
De vordering van Dexia wordt afgewezen.
 
in reconventie
 
Dexia wordt veroordeeld tot terugbetaling van het door [X] ingelegde geld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de door de echtgenoot van [X] in zijn meergemelde brief d.d. 30 augustus 2004 genoemde betalingstermijn verstreek tot de voldoening.
 
Dexia wordt veroordeeld binnen acht dagen na betekening van dit vonnis aan de stichting Bureau Kredietregistratie (BKR) te Tiel schriftelijk te berichten dat de registratie van de in dit vonnis genoemde overeenkomst dient te worden gestaakt c.q. verwijderd of gewijzigd ten gunste van [X].
 
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
 
in conventie en in reconventie
 
Dexia wordt veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van [X] tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
 

Dit vonnis is gewezen door mr. K.R. Kuiken, kantonrechter te Oude IJsselstreek, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

Ingescant en bewerkt naar HTML Copyright (C) Stichting PAL