RECHTBANK MIDDELBURG
Sector civiel recht
 
Vonnis van 15 september 2004 in de zaak van:
rolnr: 03/553
 
De naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N. V.,
Gevestigd te Amsterdam,
Eiseres in de hoofdzaak, gedaagde in het incident.
Procureur: mr. E.H.A. Schute,
Advocaat: mr. J.M. Tijssen,
 
tegen:
 
[X]
wonende te Middelburg,
gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident.
procureur: mr. W.T.J. Schieman,
advocaat: mr. H.C.M, van den Boezem.
 

1. Het verloop van de procedure
 
De volgende processtukken zijn gewisseld:
- Incidentele conclusie opwerpende exceptie van onbevoegdheid;
- Conclusie van antwoord in incident tot verwijzing;
- Akte uitlating producties.
 
Vervolgens hebben partijen, hierna te noemen respectievelijk Dexia en [X] hun zaak doen bepleiten op 8 juni 2004. Van het pleidooi is een proces-verbaal opgemaakt.
 

2. De feiten in het incident
 
2.1. Dexia, rechtsopvolgster van Bank Labouchere N. V., eveneens handelend onder de handelsnaam Legio en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease B. V., vordert in de hoofdzaak veroordeling van [X] tot betaling aan haar van een bedrag van 6.491,53 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten. Zij stelt daartoe dat [X] haar dit bedrag verschuldigd is op grond van de tussen partijen gesloten zogenaamde 'effectenleaseovereenkomst', waarvan [X] heeft verzuimd de eindafrekening ter hoogte van voornoemd bedrag te betalen.
 
2.2. De tussen partijen gesloten overeenkomst betreft de zogenaamde 'WinstVerDriedubbelaar', onder contractnummer 74285674, verder te noemen: de overeenkomst. Deze overeenkomst luidt, voor zover voor het navolgende van belang, als volgt:
"3. De lease-som bedraagt:
 
a. Het totaal van 36 gelijke maandtermijnen van zegge: f.249,20( 113,08)
 
De eerste maandtermijn dient te worden voldaan op of omstreeks de 1 van de maand volgend op de eerste aankoopdag van de waarden en daarna telkens op of omstreeks de 1 dag van de daaropvolgende maand.
b. Een bedrag van f. 100,(...) op of omstreeks de 35" maand;
c. Aan de einde van de lease-overeenkomst het restant van zegge: f.42.657,48 ( 19.357,12)
 
(...)
 
Dit restant wordt in principe verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden.
 
(...)
 
5. Zodra lessee al datgene aan Legio-Lease heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden.
 
(...)"
 
2.3. Op de overeenkomst zijn de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease, verder te noemen: de Bijzondere Voorwaarden, van toepassing. Deze voorwaarden luiden, voor zover voor het navolgende van belang, als volgt:
 
"2.  Legio-Lease en lessee komen overeen dat de eigendom van de waarden op lessee overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan.
Teneinde te bewerkstelligen dat lessee alsdan van rechtswege eigenaar van de waarden wordt, worden de in de overeenkomst genoemde waarden voorwaardelijk overgedragen aan lessee en wel onder de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Deze voorwaardelijke overdracht geschiedt doordat genoemde waarden onverwijld na verkrijging ervan door Legio-Lease ten name van lessee worden bijgeschreven in de administratie van Bank Labouchere, overeenkomstig artikel 17 van de Wge, ter uitvoering van de in de eerste zin van dit artikel omschreven verbintenis tot voorwaardelijke overdracht. Legio-Lease behoudt het eigendom van de waarden totdat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan en blijft als zodanig bevoegd over de waarden te beschikken zonder dat dit ten nadele van lessee werkt.
 
Lessee kan niet over de waarden beschikken, behoudens met voorafgaande schriftelijke toestemming van Legio-Lease. Legio-Lease draagt het risico van het verloren gaan van de waarden totdat deze eigendom van lessee zijn geworden.
 
3.   Alle baten en waardeveranderingen van de waarden komen lessee toe. Legio-Lease zal, behoudens voor zover in de overeenkomst anders is bepaald, de dividendbaten zo spoedig mogelijk na betaalbaarstelling daarvan aan lessee doen toekomen.
(...)
 
Ingeval van een keuze-dividend zal de keuze van Legio-Lease worden bepaald door de lessee,behoudens voor zover in de overeenkomst anders is bepaald. Indien met betrekking tot de waarden andere rechten kunnen worden uitgeoefend zulen deze rechten ter keuze van Legio-Lease worden uitgeoefend.
 
(...)
 
10.  Indien lessee aan al zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan, zullen de waarden aan lessee worden uitgeleverd, tenzij lessee alsdan mededeelt de voorkeur te geven aan de verkoop van de waarden. De verkoopopbrengst zal in dat geval door Legio-Lease aan lessee worden uitbetaald. Verkoop vindt zo spoedig mogelijk na opdracht daartoe plaats.
 
(...)"

3. Het geschil in het incident
 
3.1. [X] beroept zich op onbevoegdheid van de onderhavige sector van de rechtbank. Deze is volgens haar niet bevoegd te oordelen over de vordering van Dexia, nu de tussen partijen gesloten overeenkomst te kwalificeren valt als een overeenkomst van huurkoop in de zin van in artikel 7A:1576 t/m 1576 g BW, zodat op grond van artikel 93 Rv de kantonrechter bevoegd is.
 
3.2. Dexia stelt dat de onderhavige sector van de rechtbank wel bevoegd is. Zij betwist dat er sprake is van huurkoop, nu de tussen partijen gesloten overeenkomst niet voldoet aan de wezenlijke kenmerken van koop op afbetaling. Dexia voert daartoe aan dat effecten geen zaken zijn, er geen sprake is van aflevering van de effecten, dat de overeenkomst niet voorziet in termijnbetalingen en dat partijen geen eigendomsoverdracht hebben beoogd.
 

4.   De beoordeling van het geschil in het incident
 
4.1. [X] heeft voor alle weren de exceptie van onbevoegdheid voorgesteld ten aanzien van de vordering van Dexia.
De rechtbank is van oordeel dat de tussen partijen gesloten overeenkomst gekwalificeerd dient te worden als een overeenkomst van huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW. Zij overweegt daartoe, mede gelet op hetgeen door Dexia in haar verweer naar voren is gebracht, het volgende.
 
4.2. Uit artikel 7A:1576 lid 5 BW volgt dat titel 5a van boek 7A, die primair betrekking heeft op de koop op afbetaling en huurkoop van zaken, van overeenkomstige toepassing is op vermogensrechten, voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht. Gelet hierop dient uitgangspunt te zijn dat effecten, die als vermogensrechten zijn aan te merken, onderwerp kunnen zijn van koop op afbetaling en daarmee ook van huurkoop in de zin van voornoemde titel. Zulks is, gelet op hetgeen hieromtrent in de Memorie van Toelichting bij artikel 7A: 1576 BW wordt overwogen, ook in overeenstemming met de doelstelling van de wetgever.
 
4.3. De rechtbank is van oordeel dat levering van de effecten in casu reeds voorafgaand aan een mogelijke eigendomsoverdracht in de zin van artikel 7A:1576 lid 1 en 7A:1576h lid 1 BW heeft plaatsgevonden.
De stelling van Dexia dat aansluiting dient te worden gezocht bij artikel 7:9 lid 2 en 3 BW 1 gaat voorbij aan het feit dat artikel 7:9 BW over zaken gaat en niet rechtstreeks voor vermogensrechten is geschreven. Blijkens de Memorie van Toelichting bij genoemd artikel heeft bij vermogensrechten het onderscheid tussen aflevering en levering weinig betekenis. De verwijzing van Dexia naar de schakelbepaling van artikel 7:47 BW heeft ook niet het door haar beoogde effect, nu volgens dat artikel de bepalingen uit de vorige afdelingen alleen van toepassing zijn op vermogensrechten voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht. Voor wat betreft eigendomsoverdracht en aflevering geldt volgens de Memorie van Antwoord bij artikel 7:47 BW dat overdracht plaatsvindt op de wijze die afdeling 2 van titel 4 van Boek 3 BW voorschrijft en dat de verkoper alles in het werk dient te stellen om ervoor te zorgen dat de koper het recht kan uitoefenen. Daarbij is van belang dat levering van effecten niet in stoffelijke vorm, maar ingevolge artikel 17 Wet Giraal Effectenverkeer (WGE) middels bijschrijving op naam van de verkrijger in de administratie van de betrokken instelling geschiedt. Uit artikel 2 van de Bijzondere Voorwaarden volgt dat een dergelijke bijschrijving onverwijld na aanschaf van de aandelen door Legio-Lease plaatsvindt. Uit de stellingen van Dexia kan worden afgeleid dat deze bijschrijving in casu daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat [X] middels deze bijschrijving gelet op de tekst van voornoemd artikel 2 slechts een voorwaardelijk recht op de effecten heeft verkregen doet hieraan niet af. De betreffende bepalingen zijn niet anders te beschouwen dan als een eigendomsvoorbehoud in de zin van artikel 3:92 BW. Bovendien volgt uit artikel 3 van de Bijzondere Voorwaarden dat [X] het economisch risico draagt met betrekking tot de koersverschillen van de effecten, dat hem, in beginsel, het dividend en de andere baten van de effecten toekomen en dat hij degene is die, in beginsel, in het geval van een keuzedividend de keuze bepaalt, zodat kan worden geconcludeerd dat [X] het voor koop op afbetaling c.q. huurkoop kenmerkende gebruiksrecht heeft verkregen.
 
4.4. De tussen partijen gesloten overeenkomst voorziet voorts in betaling van de koopprijs in termijnen. Zulks volgt uit het in artikel 3 van die overeenkomst opgenomen betalingsschema. Hierbij is de totale leasesom als koopprijs in de zin van artikel 7A:1576 lid 1 BW aan te merken. Daarbij is niet van belang dat deze koopsom is opgebouwd uit een bedrag waarvoor Dexia de effecten heeft aangekocht en een bedrag aan te betalen rente, nu uit artikel 7A: 1576e lid 2 BW volgt dat onder koopprijs wordt verstaan alle betalingen waartoe de koper (in casu [X]) bij regelmatige nakoming van de overeenkomst gehouden is. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt immers dat [X] de totale leasesom moet voldoen om de effecten in eigendom te verkrijgen. De rechtbank merkt hierbij voorts op dat Dexia zelf in een voetnoot op de door haar als productie 4 bij de dagvaarding overgelegde eindafrekening heeft vermeld dat de splitsing in een restant hoofdsom en een eerste aflossingstermijn van 45,38 is geschied 'in verband met artikel 1576 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek'.
 
4.5. Tenslotte kan worden geconcludeerd dat partijen eigendomsoverdracht van de effecten hebben beoogd. In dat verband zijn van belang artikel 5 van de overeenkomst en de artikelen 2 en 10 van de Bijzondere Voorwaarden. Met name in genoemde artikelen 5 en 2 wordt uitdrukkelijk bepaald dat de eigendom van de effecten automatisch en van rechtswege op lessee ([X]) overgaat op het moment dat zij aan al haar verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan. Teneinde een dergelijke eigendomsovergang te bewerkstelligen heeft Dexia, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.3. is overwogen, al bij aanschaf door haar van de effecten de leveringshandeling overeenkomstig artikel 17 WGE verricht. Uit voornoemd artikel 10 volgt dat lessee er ook voor kan kiezen aan Dexia te verzoeken de effecten te verkopen. Uitgangspunt is derhalve dat de eigendom van de effecten van rechtswege wordt overgedragen aan [X] nadat zij heeft voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst.
De rechtbank verwerpt de stelling van Dexia dat de overeenkomst, bij gebreke van een bepaling waarin een afnameverplichting dan wel een zogenaamde urgerende optie is neergelegd, niet strekt tot het daadwerkelijk verkrijgen van de eigendom. Nu partijen reeds bij het sluiten van de overeenkomst hebben afgesproken dat de eigendom automatisch en van rechtswege overgaat, is die overgang immers niet van een afnameverplichting of optie afhankelijk. Ook het feit dat overeenkomsten als de onderhavige gewoonlijk zijn gericht op het profiteren van koersfluctuaties waardoor in de praktijk veelal wordt overgegaan tot verkoop van de effecten, doet niet af aan het doel van eigendomsverkrijging. Immers, teneinde tot verkoop van de effecten te kunnen overgaan is in ieder geval een, zij het kort, moment van eigendom van die effecten vereist. Dat om redenen van praktische aard en kostenbesparingen de clint er aan het einde van de looptijd van de overeenkomst voor kiest de afwikkeling van de overeenkomst en de verkoop in n handeling door Dexia te laten verrichten waarbij een verrekening plaatsvindt, in plaats van, na betaling van het restantbedrag, uitlevering van zijn effecten uit het verzameldepot te laten plaatsvinden om vervolgens zelf tot verkoop daarvan over te gaan, maakt daarbij geen verschil.
 
4.6. Gelet op het vorenstaande en nu ook aan de overige kenmerken van huurkoop, welke tussen partijen niet ter discussie staan, is voldaan, dient de zaak op grond van artikel 93 onder c Rv door de sector kanton van de rechtbank te worden behandeld en beslist. De vordering in het incident kan derhalve worden toegewezen in die zin dat de zaak zal worden verwezen naar de sector kanton.
Anders dan door [X] is aangevoerd, is in onderhavige zaak van onbevoegdheid van de rechtbank geen sprake. Weliswaar is gelet op de inhoud van art. 93 Rv niet de sector civiel, doch de sector kanton bevoegd om de onderhavige zaak te behandelen en daarin te beslissen, maar dit doet aan de bevoegdheid van de rechtbank als zodanig niets af. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank zich niet onbevoegd zal verklaren, doch de zaak slechts in de stand waarin deze zich bevindt, zal verwijzen naar de sector kanton.
 
4.7. Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident.
 

5.  De beslissing in het incident
 

De rechtbank:
 
in het incident:
 
- wijst de vordering tot verwijzing toe;
 
veroordeelt Dexia in de kosten van het incident, aan de zijde van [X] begroot op 1.170, aan procureurssalaris;
 
- wijst af hetgeen anders is gevorderd;
 
in de hoofdzaak:
 
- verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de sector kanton van de rechtbank (zittingsplaats Middelburg) op 25 oktober 2004 om 10.00 uur, waarbij partijen, in persoon of bij gemachtigde, dienen te verschijnen.
 

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 15 september 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.